Gesprekjes met kinderen

Ik schrijf nog even over mijn scholenbezoek in Brabant, omdat de gesprekken met kinderen zo leuk zijn en als ik het niet opschrijf vergeet ik hoe ze gingen:

Maandag, 24 februari 2014.
Bezoek aan twee kleine scholen in Dussen en Waardhuizen.
Op de gevel van de ene school hangt een paar boerenklompen en op de andere staat ‘School met de bijbel’ (ik scan in gedachten razendsnel mijn kinderboeken op mogelijk aanstootgevende scènes, maar dat valt gelukkig mee, en bovendien loop ik al naar binnen). Wat heerlijk dat er nog kleine scholen bestaan, met kleine groepen en uitzicht op de weilanden. De sfeer is anders in kleine groepen, rustiger en intiemer. Je zou het elk kind gunnen. Elke meester en juf ook trouwens. Zoals altijd vraag ik aan de kinderen of ze vragen hebben, en het antwoord is altijd ‘ja’. En dan volgen er fijne gesprekjes, die gaan over (hoe het is om te) schrijven, en over andere dingen.

Een vraag die vaak terugkomt:
‘Hoe lang doe je erover om een boek te schrijven?’
‘Ehm, raad ‘s hoe lang ik heb gedaan over Wolfje…’ zeg ik dan.
Ze raden het nooit, want tien jaar is natuurlijk belachelijk lang. Dat maakt altijd enorm veel indruk, je zou hun gezichten moeten zien… Zo zie je maar, elk nadeel heeft z’n voordeel. Meteen daarna vertel ik dat het ook sneller kan, en dat Nooit is voor altijd in anderhalf jaar klaar was. Bij een vervolgvraag wordt het rekenen:
‘Hoe lang doe jij gemiddeld over het schrijven van een boek?’
Ik roep jolig ‘Tussen de nul en de tien jaar!’
Maar dat is niet precies genoeg. Iemand rekent hoofd en zegt ‘ongeveer zes jaar’.
Best confronterend. Maar goed, ik ben net begonnen…

Vraag van een jongen:
‘Wat vind je niet leuk aan schrijven?’
Ik antwoord dat ik eigenlijk alles leuk vind aan schrijven. Dat het enige niet-leuke aan schrijven op dit moment te maken heeft met de dingen er omheen, met het gevoel dat je heel veel ideeën hebt en heel graag verder wilt, maar niet goed verder kunt omdat er dingen zijn die je tegenhouden.
‘Dat gevoel ken ik’, zegt de jongen.

Vraag van een jarige jongen (rozet met ‘birthday boy’ op zijn borst gespeld):
‘Ben je getrouwd?’
Ik leg uit dat ik samenwoon en zo-goed-als-getrouwd ben, en dat begrijpen ze heel goed (ook op een school met de bijbel), dat je niet hoeft te trouwen om veel van iemand te kunnen houden. Ik zeg nog iets over mijn gescheiden ouders, en een meisje vertelt dat haar zus heel graag wil trouwen maar de vriend van haar zus niet. En dan zegt de jarige jongen opeens luid en duidelijk:
‘Als je getrouwd bent, dan begint het pas!’
We zijn het roerend met hem eens.

Tijdens het schrijven gebeurt er ook iets moois.
Ik doe altijd een schrijfoefening, waarbij ik de beginzinnen geef en de kinderen vraag een zielig verhaal te schrijven, waarbij ze flink mogen overdrijven. Soms zijn er kinderen bij wie het niet lukt, die moedeloos naar hun lege blaadje staren en geen letter op papier krijgen, terwijl de anderen druk zitten te pennen. In de eerste groep heb ik twee van zulke sip kijkende meisjes. Ik probeer ze te helpen, en doordat de groep zo klein is kan ik ze goed aandacht geven. Aandacht, en vooral: tijd. Want na wat aanwijzingen en na lang nadenken lukt het de meisjes toch om iets te schrijven. En ze schrijven prachtig, heel creatief en gedurfd, juist, gek genoeg. De eerste komt met een barok verhaal over een draak die haar had opgegeten en weer uitgekotst, omdat hij haar te smerig vond, en die daarna nog haar hele familie opvrat en weer uitkotste. En het meest verlegen meisje schrijft niet veel, één enkele zin, maar wel een zin die ik nooit meer vergeet:

Mijn vis viel van de trap en brak zijn been.

 

 

This entry was posted in Nieuws, Over onderwijs en lesgeven, Wolfje and tagged , , , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.