Daar staan ze, voor mijn deur: Billy, Zuignap en Tjonkel. Ze komen me halen en het komt verdomd slecht uit, maar dat laat ik niet merken. Ik grijns, steek onhandig m’n hand op en zeg ‘ik kom eraan, pak effe m’n spullen’. Ze blijven voor de deur staan wachten. O god, als de buren ze maar niet zien, denk ik, terwijl ik de trap op ren. Ik gooi wat kleren en boeken in een sporttas, trek een oude broek en een dikke trui aan, en storm met vier treden tegelijk de trap weer af.
‘Waar bleef je nou,’ vraagt Zuignap rasperig.
‘Ik ben er toch,’ zeg ik, zo nonchalant mogelijk.
‘Jaja, dat zal wel,’ roept Billy, net iets te hard voor onze straat. ‘Ik geloof d’r niks van. Vanalles beloven, maar als puntje bij paaltje komt, dan, dan…’
Ik spreid m’n armen en steek m’n kin in de lucht, twee keer kort achter elkaar, zoals je Italianen wel ziet doen in films.
‘Ja, wat nou Billy, wàt nou…’ zeg ik.
Ik duw de mannen opzij en loop naar de auto.
‘Is dit hem?’
Ze knikken allerdrie tegelijk. Ze zien eruit als idioten, maar dat zijn ze niet, dat weet ik. Ze zijn slim en geslepen, als glas. Ik moet nog maar zien hoe ik het er vanaf breng.
Met opgetrokken knieën zit ik op de achterbank van de Ford Capri. We zijn al uren onderweg, de radio en de verwarming staan aan en de stemming is opperbest. Tjonkel heeft een halve zak drop achter z’n kiezen en laat voortdurend scheten. De stank is niet te harden.
‘Mag het raam een stukje open,’ vraag ik, terwijl ik probeer zo min mogelijk in te ademen.
‘Nee,’ roept Billy vanachter het stuur. ‘Wen d’r maar an. Buiten ruikt het net zo.’
Zuignap grinnikt, naast me.
‘Valt niet mee hè… nog een dropje Tjonkel?’
Ik tel tot honderd en dan rijdt de Ford een oprit op. Het is donker en mistig, ik kan niet goed zien waar we zijn. Bij de deur houdt Billy me tegen.
‘Geen grapjes, makker. Geef je mobiel maar hier.’
Ik weiger.
Tjonkel slaat me tegen de grond.
Billy pakt m’n tas.
Zuignap gooit me over z’n schouder en draagt me naar binnen.
Ik doe mijn ogen dicht en waan me een kleine jongen, naar bed gedragen door z’n grote sterke vader.
Als ik wakker word, blijk ik in een leunstoel te zitten, bij een ouderwets eikenhouten bed. Billy, Zuignap en Tjonkel liggen gebroederlijk naast elkaar, met behaarde borstkassen, hun handen netjes boven de dekens.
‘Begin,’ zegt Billy.
‘We zijn er klaar voor,’ zegt Zuignap.
‘Vriend,’ zegt Tjonkel, met glinsterende ogen.
Op mijn schoot ligt een boek, de sprookjes van Grimm. Ik sla het open, schraap m’n keel en begin voor te lezen. Vanuit het bed klinkt tevreden gebrom. Na een tijdje is het stil. Ze slapen. En ik sluip de kamer uit.