Fabel 4: De kalende kikker

De kikker had zich opgesloten in zijn kamer. De andere dieren klopten ongerust op de deur. ‘Ik ben absoluut niet kaal!’ riep de kikker. De anderen verontschuldigden zich en zeiden dat ze het zo niet hadden bedoeld. Maar de kikker wilde niet naar buiten komen. ‘Ga weg allemaal,’ riep hij. ‘Ik wil jullie voorlopig even niet zien.’ De dieren schuifelden naar buiten, driftig discussiërend over de vraag of je altijd eerlijk moest zijn. Was het niet beter om op sommige momenten de waarheid te verdraaien, of zelfs ronduit te liegen? De vos vond dat je altijd eerlijk moest zijn en conflicten niet uit de weg moest gaan. Hij was degene die tegen de kikker had gezegd dat hij kaal was. Sommige dieren vonden dat hij dat niet had moeten doen. ‘Maar het ís toch zo,’ zei de vos, grijnzend. Dat kon iedereen alleen maar beamen en de sfeer bleef opgewonden. Tot de ooievaar heel zacht zei: ‘Misschien heeft de kikker in zijn beleving een weelderige bos haar… en wie zijn wij om hem dat af te nemen?’ Toen werd het stil. Iedereen dacht aan de kikker. Hij stond ondertussen in zijn kamer voor de grote spiegel naar zichzelf te kijken. ‘Ik, kaal?’ zei hij hardop. ‘Ik dacht het niet.’ Hij draaide om zijn as en liep naar de spiegel om zijn hoofd van dichtbij te bekijken. Toen liep hij weer naar achter, rechtte zijn rug en zei: ‘Ik ben kalend.’

 

This entry was posted in Fabels. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.