Fabel 1: Het hijgende hert

Het hijgende hert liep door het bos, een beetje te verdwalen. Dat deed hij graag, verdwalen. Hij hield ervan om de weg kwijt te zijn en zichzelf tegen te komen. Soms kwam hij zichzelf tegen in water, bijvoorbeeld in een plas of in een meertje. En soms kwam hij zichzelf tegen in de vorm van een ander hert, precies eender, net zo hert als hij, alleen iets minder hijgend. Dat was geen pretje, dan werd het vechten, en altijd, altijd, verloor hij. Maar ook dat deed hij graag, verliezen. Hij zou niet weten hoe hij moest winnen. Het vond het geen fijn idee om iemand pijn te doen en het leek hem niet prettig om een ander te zien verliezen. Hij zag de ander graag blij vertrekken, dat deed hem plezier. Hij likte dan zijn wonden, snikte een paar keer, en dan was het meestal wel over. Eigenlijk hield hij helemaal niet van vechten. Daarom probeerde hij eerst altijd te vluchten. Hij kon hard rennen, heel hard, maar daar moest hij wel van hijgen. Dat kwam doordat hij vroeger stevig had gerookt. Maar dat deed hij niet meer. Hij was gestopt. Zo verstandig was hij wel.

 

 

This entry was posted in Fabels. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.